Thijs Cuppen

Cupje v1Pianist en componist. Bandleider bij de muziektheatervoorstelling ‘Waanzinnig gedroomd’. Freelance jazz-toetsenist. Schrijft muziek, arrangeert. En is dus de pianist van MAAS.

www.thijscuppen.com

THIJS CUPPEN EN DE HÉLE GROTE TERTS

Spanning ontstaat door tegenstelling. Pianist Thijs Cuppen herbergt die tegenstellingen in zich. Hij is all-round, maar heeft een onmiskenbaar eigen geluid. Virtuoos en tegelijk bescheiden. Een man die kan luisteren, maar ook ruimte durft te nemen. Het zijn kwaliteiten die hem een veelgevraagde toetsenist maken; in de jazz-wereld, maar minstens zo vaak voor theatervoorstellingen.
Hoe is hij de spannende muzikant geworden die hij vandaag is?

“Ik kan me niet herinneren dat ik niet piano speelde. Vanaf dat ik twee ben, schijn ik achter de piano gezeten te hebben. Niet continu hoor, maar toch vaak. Ik speelde dan liedjes na die we zongen op de kleuterschool. Of platen van ‘Kinderen voor kinderen’. Dan probeerde ik de melodie uit te vogelen.

Thijs speelt op zijn oma’s piano (1979, 3 jaar oud)

Het was geen keuze van mij om piano te spelen. De piano stond daar gewoon, bij ons in de huiskamer, en dat vond ik altijd fascinerend. De piano was van oma, die speelde zelf, net als mijn moeder.
Ik ging op onderzoek uit. Op een gegeven moment ontdekte ik dat je ook twee toetsen tegelijk kon indrukken. Ik vond twee toetsen die ik heel mooi samen vond klinken. Een lage f en een hoge a – ongeveer mijn spanwijdte, denk ik. Hoe die samen klonken, dat vond ik te gek! Toen heb ik ze met een viltstift gemarkeerd, want dat mocht ik niet vergeten. Dat wilde ik nog een keer ervaren. Mijn ouders waren daar echt boos over. Het was een oude piano, nog eentje met ivoren toesten – toen dat nog mocht. Maar door de jaren heen zijn die zwarte strepen er gelukkig af gesleten.
Ik kreeg even van mijn moeder pianoles en vanaf m’n zevende bij een mevrouw in de straat. Mevrouw Darlington, heette zij. Half Engels, een heel klassieke mevrouw. Bij haar speelde ik kinderliedjes, uit een boekje met allemaal tekeningetjes. Heel speels en lief. De melodieën waren niet heel boeiend, maar er stond ook bladmuziek bij voor de begeleiding, die zij dan speelde. En toen ging ik proberen om dat ook al te spelen. De melodie mét akkoorden, dat vond ik fantastisch.

Op een gegeven moment mochten mijn broer en ik naar de muziekschool ‘Aaltje Noordewier’ in Deurne. We mochten zelf ons instrument kiezen, maar dat was voor mij geen keuze; dat was piano, want dat kon ik al. Mijn broer ging gitaar spelen.
Ik vond het allemaal heel leuk, maar ik was nooit een supertalent. Ik had wel al zo veel gespeeld dat ik meteen voor mijn c-diploma mocht gaan. Maar toen ik een jaar of 12, 13 was stond ik op het punt om basgitaar te gaan spelen. Piano was niet zo heel erg populair onder klasgenootjes en vriendjes. En ik was net andere muziek aan het ontdekken. Het was niet meer zo vanzelfsprekend om die kinderachtige, klassieke liedjes te spelen. En ik ontdekte dat er ook popmuziek was, en blues en zelfs jazz. Maar daar wilde mevrouw Darlington niks van weten: ‘Als jij lichte muziek wilt spelen, dan moet je maar naar iemand anders.’ Gelukkig wist ze ook iemand anders: meneer Gerard. Gerard de Graaf uit Eindhoven. Dat was een toffe man. Die kon echt blues en zo spelen. Van die vette loopjes, en dat vond ik gaaf. Dat was wel een soort redding van mijn pianocarriere.
Toen ik 16 was mocht ik ook in de bigband van Deurne meespelen. Ik had nog nauwelijks jazz gehoord en al helemaal niet gespeeld – Deurne stond nou ook weer niet bol van de jazz-muzikanten. Maar ik mocht dus meedoen en dat was feestelijk. Er zaten ook echt wel een aantal goede muzikanten bij. Daar leerde ik ook weer een trompettist kennen en die had dan weer een funkband in Tilburg, waar ik mee mocht repeteren. En zo kwam ik echt in aanraking met jazz en pop en funk.

thijs2_DSC_7482Toen ik 17 was heb ik toelating gedaan voor het conservatorium van Hilversum. Dat was best wel rampzalig. Ik wist nog helemaal niet hoe het zat qua vorm; dat zo’n jazz-liedje een schema heeft dat zich herhaalt. Maar ik ging wel jazz spelen. Ik vond het zelf heel goed gaan, en ik ging ook heel lang door. Ik zat er wel lekker in. En toen zei die man – Rob Madna, die later mijn pianoleraar werd: ‘Wat kan jij lelijk spelen.’ Een andere docente zei: ‘Misschien dat je vooropleiding kan doen.’ Maar ik dacht al ‘Nee, ik ga wel een ander vak leren.’ En toen ben ik psychologie gaan studeren.
Vijf jaar later, op m’n 23e, heb ik weer auditie gedaan en toen mocht ik komen, omdat ik tijdens psychologie veel les had gehad van echt goede jazz-pianisten in Nijmegen.
Ook op het conservatorium was ik niet echt een talent. Dat ik het met de hakken over de sloot haalde, is iets overdreven, maar ze lieten me wel af en toe weten dat ik aan de bak moest, omdat ik anders mijn eindexamen niet zou redden. Ik zat ook wel met heel goede pianisten in het jaar; de standaard lag vrij hoog. En daarbij ben ik na het conservatorium pas echt beter geworden. Door veel te spelen.”

De rest is geschiedenis.